Waarom staat er een lidwoord in De Friese schaatsster Femke Kok won goud?
Of je wel of geen lidwoord moet gebruiken in een zin is voor veel cursisten lastig. Dat geldt vooral voor mensen met een moedertaal waarin geen aparte lidwoorden bestaan (zoals veel Slavische talen en het Turks). Een moeilijk geval is bijvoorbeeld een zin als De schaatsster Femke Kok won goud op de Olympische Spelen. Waarom moet je daar een lidwoord gebruiken?
Naamwoordelijke constituent
Een combinatie als de schaatsster Femke Kok heet een ‘naamwoordelijke constituent‘. Het is een woordgroep waarvan het kernwoord een (zelfstandig) naamwoord is. Als woordgroepen uit meerdere woorden bestaan is één daarvan de kern: dat is het woord dat bepaalt hoe de woordgroep als geheel zich gedraag. In de Friese schaatsster is schaatsster bijvoorbeeld de kern. Je kunt het geheel in het meervoud zetten: de Friese schaatssters, wat een eigenschap is van zelfstandige naamwoorden, maar niet van bijvoeglijke naamwoorden. Het bijvoeglijk naamwoord Friese kan dus niet de kern van de woordgroep zijn.
Zulke naamwoordgroepen kunnen we goed maken met namen van personen, maar ook met rangnummers of -letters. Voorbeelden zijn: koning Willem-Alexander, café De Druppel, lokaal 4.33, pagina 34, type A. In al deze groepen is het vaak lastig om te bepalen wat de kern ervan is, omdat het om twee zelfstandige naamwoorden gaat. Bij rangnummers of -letters kan je goed beargumenteren dat het eerste woord de kern is, omdat alleen het getal of de letter echt te weinig informatie geeft. Maar bij een eigennaam is dat lastiger: geeft Femke Kok meer informatie over schaatsster of geeft schaatsster meer informatie over Femke Kok? Daar kom je taalkundig niet uit.
Gebruik van een lidwoord
De combinaties die hierboven staan, hebben meestal geen lidwoord als je ze in een zin gebruikt:
- Koning Willem-Alexander is in 1967 geboren.
- Schaatsster Femke Kok won goud op de Olympische Spelen.
- Hij werkt al vijf jaar in café De Druppel.
- We zitten vandaag in lokaal 4.33.
- Kijk naar de tabel op pagina 34.
Maar als je voor het eerste zelfstandig naamwoord nog een bijvoeglijk naamwoord zet, komt er wél een lidwoord:
- De Nederlandse koning Willem-Alexander is in 1967 geboren.
- De Friese schaatsster Femke Kok won goud op de Olympische Spelen.
- Hij werkt al vijf jaar in het gezellige café De Druppel.
Bij combinaties met een rangnummer of -letter is toevoeging van een bijvoeglijk naamwoord meestal niet mogelijk.
Kern van de woordgroep
Door het bijvoeglijk naamwoord toe te voegen maak je duidelijk wat je als de kern van de woordgroep ziet: namelijk het eerste zelfstandig naamwoord. De naam is daar een nabepaling bij. Als je deze zelfstandige naamwoorden zonder naam gebruikt, moet je er ook een lidwoord bij gebruiken.
- De koning is in 1967 geboren.
- De schaatsster won goud op de Olympische Spelen.
- Hij werkt al vijf jaar in het café.
Kortom: het is de toevoeging van de naam die zorgt voor onduidelijk over de kern én dat je het lidwoord weg kan laten. Als die onduidelijkheid er niet meer is, moet je een lidwoord gebruiken.
Op zoek naar werkvormen?
In de e-learning Grammatica voor NT2-docenten staat de informatie van deze website gegroepeerd op onderwerp. Bovendien staan bij elk onderwerp een of meer werkvormen uitgelegd – vaak met concrete oefeningen die je zó kunt overnemen.