Wanneer staat een tijdsbepaling aan het eind van de zin?
Over het algemeen staan tijdsbepalingen in het Nederlands redelijk aan het begin van een zin. Ze kunnen heel goed op de eerste zinsplaats staan, of vrij snel na de persoonsvorm.
- Morgen gaat het de hele dag hard sneeuwen.
- Het gaat morgen de hele dag hard sneeuwen.
- Samir is vorige week met zijn vriend naar Utrecht geweest.
Toch is het ook best mogelijk om de tijdsbepaling helemaal aan het eind van de zin te zetten, nog na het eventuele tweede werkwoord.
- Het gaat de hele dag hard sneeuwen morgen.
- Samir is met zijn vriend naar Utrecht geweest vorige week.
Onbelangrijke informatie
Deze achteropplaatsing is bij tijdsbepalingen alleen mogelijk als de informatie niet erg belangrijk is voor de totale mededeling. Je kan de tijdsbepaling ook geen extra nadruk geven in de uitspraak van een zin. Een ander effect hiervan is, dat het middenstuk van de zin (het deel tussen de werkwoordsposities) korter is. Dat maakt de zin wat makkelijker te volgen.
Andere zinsdelen aan het eind
Er zijn nog wat andere zinsdelen die op deze positie kunnen staan. Het bekendst zijn waarschijnlijk de voorzetselbepalingen, maar ook woorden als trouwens kunnen daar komen. Ook combinaties met als of tot als bepaling van gesteldheid kunnen hier goed staan.
- Ik heb een ontwerp gemaakt voor een nieuwe website.
- Ik kan morgen wel even langskomen trouwens.
- Ik ben benieuwd wie er gekozen wordt tot nieuwe voorzitter.
Op zoek naar werkvormen?
In de e-learning Woordvolgorde: van regel naar inzicht staat de informatie van deze website gegroepeerd op onderwerp. Bovendien staan bij elk onderwerp een of meer werkvormen uitgelegd – vaak met concrete oefeningen die je zó kunt overnemen.