Enkelvoud of meervoud bij maten en tijden?
Veel woorden die een eenheid uitdrukken staan na een telwoord in het enkelvoud. Het gaat om eenheden van gewicht, afmeting, hoeveelheid of volume en om de woorden keer en maal. In sommige gevallen staat ook man (‘persoon’) in het enkelvoud.
- Hij tilde het gewicht van 20 kilo makkelijk op.
- We moeten nog 15 kilometer fietsen.
- De les duurt drie uur.
Er zijn ook gevallen waarin je wel een meervoud gebruikt, zoals in Na drie lange jaren zagen we hem weer.
Altijd enkelvoud
Bij de volgende categorieën krijg je altijd een enkelvoud.
- Afmetingen: woorden voor lengte, breedte, diepte, oppervlakte en inhoud. Dat zijn woorden die eindigen op -meter en -liter.
- We moeten nog 15 kilometer fietsen.
- Ze dronken 5 liter bier.
- Snelheid: meter per seconde, kilometer per uur
- Je mag hier 120 kilometer per uur rijden.
- Sommige precieze aantallen: dozijn (12), gros (12 dozijn), paar (2), miljoen, miljard, biljoen, procent
- Jullie hebben twee dozijn eieren nodig.
- De inflatie is dit jaar 5 procent.
- Mijn man heeft wel tien paar schoenen.
- Gewicht: ons, gram, pond, kilo(gram), ton
- Hij tilde het gewicht van 20 kilo makkelijk op.
- Mag ik twee ons kaas?
- Geld: cent, euro, ton (en ook buitenlande valuta: pond, lira, roepie)
- Hebt u er twintig cent bij?
- Dat is dan drie euro dertig.
- Frequentie: keer en maal
- Ik heb die film al vijf keer gezien.
- Tijd: jaar, uur, kwartier (zie ook hieronder)
- Damini woont al vijf jaar in Nederland.
- De les duurt drie uur.
- We moeten nog drie kwartier wachten.
Altijd meervoud
Er zijn ook woorden die eenheden aanduiden maar wel een meervoud krijgen. Dat zijn deze categorieën
- Concrete zelfstandige naamwoorden die geen officiële rekeneenheid zijn, denk aan woorden als kopje, lepel, flesje, glas, enz.
- Voeg twee eetlepels bloem toe.
- Hij drinkt elke dag twee glazen wijn.
- Ze nemen twaalf flesjes bier mee.
- Temperatuur: graden is meervoud, behalve bij één graad
- Het wordt vandaag 7 graden.
- Tijd: seconden, minuten, dagen, weken, maanden, decennia, eeuwen (In België is ook maand vaak in het enkelvoud)
- Je moet je handen 20 seconden wassen.
- De cursus duurt zes maanden.
- Als je het losse voorwerp bedoelt, bijvoorbeeld losse munten of gewichten
- Ik heb nog twee euro’s in mijn portemonnee.
- Als je nadruk legt op losse delen of op een bepaalde tijdsduur
- Zij is vier of vijf kilo’s afgevallen.
- Als er een bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord staat
- Na drie lange jaren zagen we hem weer.
- Na honderden, duizenden, miljoenen en miljarden
- Na honderden uren onderzoek waren er geen duidelijke conclusies te trekken.
Volgend zelfstandig naamwoord
Soms staat er na de genoemde eenheid nog een zelfstandig naamwoord. Dat staat meestal wel in het meervoud, behalve als het geen meervoud heeft (bijvoorbeeld bij niet-telbare woorden). Voorbeelden van hierboven:
- Ze dronken 5 liter bier.
- Jullie hebben twee dozijn eieren nodig.
- Mijn man heeft wel tien paar schoenen.
- Mag ik twee ons kaas?
- Voeg twee eetlepels bloem toe.
- Hij drinkt elke dag twee glazen wijn.
- Ze nemen twaalf flesjes bier mee.
Op zoek naar werkvormen?
In de e-learning Grammatica voor NT2-docenten staat de informatie van deze website gegroepeerd op onderwerp. Bovendien staan bij elk onderwerp een of meer werkvormen uitgelegd – vaak met concrete oefeningen die je zó kunt overnemen.