Wat is het verschil tussen mogen en kunnen?
De werkwoorden mogen en kunnen worden vaak verward. Engelssprekenden gebruiken can en may vaak door elkaar, en doen dat ook in het Nederlands. Het Frans kent alleen maar pouvoir voor beide woorden en in het Spaans heb je alleen poder. Dat maakt het voor sprekers van die talen niet makkelijker. Maar Mag ik naar de wc? en Kan ik naar de wc? betekenen toch echt iets anders. Of niet?
Het basisverschil
De kern is eenvoudig samen te vatten:
- mogen = toestemming, recht, verlof.
- Je mag hier niet parkeren. (= het is niet toegestaan)
- Mag ik hier roken? (= ik vraag toestemming)
- kunnen = capaciteit, vaardigheid of feitelijke mogelijkheid.
- Ik kan goed zwemmen. (= ik heb de vaardigheid)
- Kan je hier naar rechts? (= is het mogelijk)
Dat lijkt overzichtelijk, maar in de praktijk loopt dit weleens door elkaar.
Mogelijkheid
Als je op een beleefde manier iets vraagt of aanbiedt, kan je vaak beide woorden gebruiken. Met kunnen ligt de nadruk dan wat op de vraag of iets mogelijk is, of de situatie het toelaat. Met mogen gaat echt om de toestemming. Vergelijk deze zinnen met elkaar:
- Je mag gaan. (je hebt toestemming)
- Je kunt gaan. (de omstandigheden maken het mogelijk)
- Mag ik je auto lenen? (geef je me toestemming)
- Kan ik je auto lenen? (is het mogelijk)
In al deze zinnen vraag je met kunnen naar de mogelijkheid. Dan zijn beide woorden juist – met een licht betekenisverschil. Als kunnen meer gaat over of het onderwerp van de zin in staat is om iets te doen, is mogen meestal niet mogelijk. Maar het verschil kan heel subtiel zijn en afhangen van de exacte zin.
- Mag ik naar de wc? (heb ik toestemming)
- Kan ik naar de wc? (nadruk ligt op het in staat zijn, de lezing dat dit over de mogelijkheid gaat is minder voor de hand liggend)
- Kan ik even naar de wc? (hier ligt de nadruk meer op de mogelijkheid en minder op het in staat zijn)
Negatieve zinnen
In negatieve zinnen is het verschil in betekenis wat groter, maar ook dan kan er wel verwarring zijn. Niet kunnen betekent dat iets onmogelijk is of dat iemand iets niet kan. Niet mogen drukt een verbod uit.
- Je mag niet gaan. (het is verboden)
- Je kunt niet gaan. (het is niet mogelijk)
- Je mag mijn auto niet lenen. (het is verboden)
- Je kan mijn auto niet lenen. (het niet mogelijk)
- Je mag niet naar de wc. (het is verboden)
- Je kan niet naar de wc. (je bent er niet toe in staat)
- Je kan nu niet naar de wc. (het is niet mogelijk)
Op zoek naar werkvormen?
In de e-learning Grammatica voor NT2-docenten staat de informatie van deze website gegroepeerd op onderwerp. Bovendien staan bij elk onderwerp een of meer werkvormen uitgelegd – vaak met concrete oefeningen die je zó kunt overnemen.