Hoe schrijf je combinaties van er en een voorzetsel?
Welke spelling is juist?
- Ik ga ervanuit.
- Ik ga er vanuit.
- Ik ga er van uit.
- Ik ga ervan uit.
Het juiste antwoord is 4: Ik ga ervan uit. Voor heel veel moedertaalsprekers is dit een van de moeilijkste regels om te leren, maar ik merk vaak dat NT2’ers minder moeite hebben met de regel. Dat komt denk ik omdat zij zich veel meer bewust zijn van het verschijnsel scheidbare werkwoorden. Die zijn niet zo eenvoudig te leren, natuurlijk, maar als cursisten dat eenmaal doorhebben, dan is de regel voor combinaties als deze ook niet meer zo moeilijk.
Wat is de regel?
Om de juiste spelling van zulke combinaties te bepalen, moet je eerst bedenken wat het hele werkwoord is. In dit geval is dat uitgaan (van iets). Een scheidbaar werkwoord, met een vast voorzetsel. Vervolgens heb je te maken met deze spellingregel: als er en een voorzetsel direct naast elkaar staan, dan schrijf je dat als één woord, behalve als het voorzetsel deel uitmaakt van het scheidbare werkwoord. Van maakt geen deel uit van het werkwoord, maar uit wel. Dat leidt tot ik ga ervan uit. In de voltooide tijd schrijf je ik ben ervan uitgegaan. Omdat uit nu direct bij het werkwoord staat, schrijf je het eraan vast.
Voorbeelden
- Ik reken erop dat je komt! (op hoort niet bij het werkwoord rekenen)
- Denk eraan dat je de deur op slot doet (aan hoort niet bij het werkwoorden denken)
- We houden ermee op! (mee hoort niet bij het werkwoord, op wel: ophouden met iets)
Veel mensen vinden dit erg lastig, maar er zijn twee geruststellingen: ten eerste is dit een spelfout die maar weinigen opvalt. Ten tweede heeft Onze Taal een geweldige lijst met voorbeelden, waarin je bijna altijd kunt vinden hoe je zulke combinaties schrijft.
Op zoek naar werkvormen?
In de e-learning De NT2-docent als schrijftrainer staat de informatie van deze website gegroepeerd op onderwerp. Bovendien staan bij elk onderwerp een of meer werkvormen uitgelegd – vaak met concrete oefeningen die je zó kunt overnemen.