Tag: A1
Hij tilde 20 kilo of kilo’s?
Woorden als 'uur', 'kilo' en 'euro' staan bijna altijd in het enkelvoud. In deze lestip lees je in welke gevallen dat allemaal opgaat en wat ...
Lees meer →
Mag / kan ik naar de wc?
De werkwoorden 'mogen' en 'kunnen' lijken voor veel cursisten erg op elkaar. Wat is het verschil tussen deze woorden?
Lees meer →
De spelling van onechte tweeklanken
Woorden met de combinaties aai, ai, oei, ooi, oi, ieuw, eeuw en uw zijn vaak lastig voor NT2-cursisten. Hoe zeg je ze en hoe schrijf ...
Lees meer →
Bepaald of onbepaald?
In veel zinnen is het verschil tussen bepaald en onbepaald van belang, bijvoorbeeld voor de keuze van het lidwoord of bij de buigings-e.
Lees meer →
Het is gelukt!
Het onderwerp bij 'lukken' is meestal 'het', maar er zijn meer mogelijkheden. Maar het onderwerp kan nooit een persoon zijn.
Lees meer →
Het werkwoord willen
Willen is een onregelmatig werkwoord, dat twee verleden tijden heeft. Wat moeten je cursisten weten over dit werkwoord?
Lees meer →
Spelling van getallen
Getallen tot duizend schrijf je als één woord, na het woord 'duizend' komt een spatie. 'Miljoen' heeft een spatie vóór en ná het woord.
Lees meer →
Woordsoorten: tussenwerpsel
Een tussenwerpsel is geen deel van een zin, maar kan wel de betekenis veranderen. Er zijn verschillende soorten tussenwerpsels.
Lees meer →
Deze broek is dezelfde / hetzelfde?
'Dezelfde' hoort bij de-woorden en 'hetzelfde' bij het-woorden, maar 'hetzelfde' gebruik je ook vaak zelfstandig.
Lees meer →
Het vraagwoord ‘waar’
Het vraagwoord 'waar' gebruik je niet alleen bij locaties, maar ook in combinatie met een vast voorzetsel. Dat is voor cursisten soms onverwacht.
Lees meer →









